Sander Dekker, onze staatssecretaris voor onderwijs is in 2014 een nationale dialoog gestart over de toekomst van het onderwijs[1]. Deze discussie is bekend als Onderwijs2032.

De staatssecretaris stelt in zijn brief aan de Tweede Kamer dat we ons voortdurend moeten afvragen hoe we ons zo goed mogelijk kunnen voorbereiden op een veranderende wereld? Het doel is om van kinderen competente, zelfbewuste en creatieve volwassenen van de toekomst te maken. Tot zover kan ik het alleen maar volledig eens zijn met de staatssecretaris.

In 2016 heeft Onderwijs2032 haar eindrapport ‘Basis voor toekomstgericht onderwijs gelegd’ gepresenteerd. In een nieuwsbericht van het ministerie van OCW [2], stelt de staatssecretaris ‘Ik ben er trots op dat Onderwijs2032 een zoektocht is geworden die gevoed is door onze hele samenleving. Er ligt nu een helder advies over wat kinderen later moeten kennen en kunnen. Een uitstekende basis waarop leraren verder kunnen bouwen aan een nieuw en eigentijds curriculum’.

Begrijp ik dit goed? Is het resultaat van een nationale dialoog over het onderwijs van de toekomst verzand in een rapport hoe een nieuw curriculum er moet uit gaan zien? Zou de belangrijke discussie over de toekomst van onze kinderen en onze samenleving niet over het onderwijsstelsel zelf moeten gaan? Oftewel zou de dialoog niet moeten gaan over nieuwe theorieën voor leren en ontwikkelen en welke van deze theorieën geschikt kunnen zijn voor de toekomst?

Sander Dekker wil dat kinderen kunnen opgroeien tot competente, zelfbewuste en creatieve volwassenen. Ken Robinson laat in zijn Ted talk : ‘Do schools kill creativity’ zien dat als we het onderwijsstelsel zelf niet veranderen, we in ieder geval geen creatieve volwassenen meer zullen hebben. Onderwijs gaat over het leren en ontwikkelen van mensen. De dominante vorm van onderwijs is nu het traditionele onderwijs, met zijn cursorische onderwijsaanbod. Onderzoek heeft inmiddels laten zien dat leren op school voor minder dan 20% het resultaat is van formeel leren in een onderwijs lessituatie[3]. Een nieuw curriculum bedenken om de toekomst van het onderwijs te bepalen, lijkt een beetje op het aanpassen van een Dafje om te gaan racen tegen een Ferrari.

Het onderwijsstelsel zoals we dat nu kennen dateert uit het industriële tijdperk en is voor het eerst op grote schaal ingevoerd in Pruisen begin 19de eeuw. De systeemkenmerken van dit stelsel zijn: Een door de overheid verplicht curriculum, jaarklassen, toetsen en examen, overheid gecertificeerde docenten en schoolplicht. De essentie van dit stelsel is de afgelopen 200 jaar niet veranderd, terwijl de maatschappij natuurlijk vrijwel totaal is veranderd.

Deze veranderingen waren de reden voor de onderwijsdialoog. In een rapport van de OECD wordt aangegeven dat we nu kinderen opleiden terwijl 50% van de banen over 10 jaar nog moet worden uitgevonden. Daarnaast is de halfwaardetijd van kennis nu circa 4 jaar en wordt steeds korter. Dit betekent dat gemiddeld genomen 50% van de kennis die nu onderwezen wordt binnen 4 jaar nutteloos is. Bovendien verdubbelt de hoeveelheid kennis in de wereld iedere 18 maanden. Dit is exponentiële groei. Er wordt wel eens gezegd dat verandering de enige constante is, maar met exponentiële groei verandert de verandering zèlf ook.

In de toekomst kijken lukt nog steeds niet. Het Centraal Plan Bureau probeert al jaren de economische groei te voorspellen en zelfs één jaar vooruit plannen blijkt onmogelijk. Hoe zou dan het ministerie van onderwijs een curriculum voor 2032 kunnen bedenken? Door de exponentiële groei van kennis wordt het onmogelijk om een standaard curriculum te bepalen. Iedere keuze voor een curriculum is per definitie arbitrair en dus fout. De dialoog over het onderwijs voor de toekomst kan dus niet over het ‘wat’ van het onderwijs gaan, we moeten een serieuze dialoog hebben over het ‘hoe’ en ‘waarom’ van het onderwijs. Kortom, een duidelijke visie voor het onderwijs in 2032.

 

[1] Nieuwsbericht Ministerie van OCW, 17-11-2014

[2] Nieuwsbericht Ministerie van OCW, 23-01-2016 ‘Basis voor toekomstgericht onderwijs gelegd’.

[3] Moravec, J. & Cobo, C., (2011), Invisible Learning, http://www.aprendizajeinvisible.com/